| ||||||||
|
|
Het vervoermiddel van de gewone man Vorige week was in Eigen-Aardig een hondenkar in beeld. Er kwamen van lezers wat vragen binnen over trekhonden in Dordrecht. Bijna 20 jaar geleden schreef Eigen-Aardig al eens over dit vervoermiddel van de gewone man. Honden zijn eeuwenlang gebruikt als trekdier. Paarden waren voor de kleine middenstander veel te duur. Een hond was klein, at niet zo veel en een eenvoudig hok was als slaapplaats voldoende. Regels om de beesten een leefbaar bestaan te garanderen waren er niet; tot 1910 waren ze in feite vogelvrij. Maar op 14 juli 1910 werd een eerste, nationale, wet van kracht, houdende bepalingen ter bescherming van trekhonden. Eerlijk gezegd was niet het leed van de hond de hoofdzaak, maar het ongemak van de berijder. Er werd al langer gesproken om de hond als trekkracht geheel te verbieden, en in sommige steden was dat al het geval. Er was dus de merkwaardige situatie ontstaan dat een trekhond in de ene gemeente niet was toegestaan en in de andere wel. Een trekhondenbezitter kon soms niet van de ene naar de andere stad rijden, omdat in een tussenliggende gemeente trekhonden verboden waren. Een landelijk verbod zat er nog niet in: de trekhond kon in dichtbebouwde gebieden niet worden gemist; ook niet uit het oogpunt van veiligheid, want als iedereen paarden zou gebruiken, zou er binnen de kortste keren een chaos in een stad ontstaan. Er kwam dus een uniforme, landelijke regeling, waarbij trekhonden alleen verboden werden als de verkeersveiligheid in gevaar werd gebracht. En dat zal anno 1910 wel meegevallen zijn.
EISEN Er kwamen redelijk strenge eisen. Er moest een vergunning aangevraagd worden. En de karretjes kregen, net als de huidige auto's, een soort kentekenbewijs. Aan de voerman werden ook eisen gesteld. De minimum leeftijd om een hondekar te besturen was 14 jaar en als iemand binnen een jaar twee maal werd veroordeeld wegens overtreding van de wet dan verloor hij zijn vergunning. En dat met een proeftijd van twee jaar. Niet alle honden waren wettelijk geschikt om een kar trekken. Ze mochten niet zo groot zijn dat niet onder de kar konden staan en er mochten hooguit drie vóórr de kar of hooguit twee eronder. Kreupele en schurftige dieren werden uitgesloten, evenals gewonde, zichtbaar drachtige of zogende en nog niet volwassen dieren. Kleine honden hoefden ook niet onder de kar. De minimale schouderhoogte was 60 cm. Verder moest het beest een borstriem dragen van zacht leer, de kar moest bij stilstand rusten op twee steunen om de te voorkomen dat het dier de hele dag met de kar op zijn rug moest staan. Een drinkbak was verplicht. Op de kar moest de naam van de houder, van de gemeente en het nummer van de kar goed leesbaar staan. Er mochten niet meer dan twee personen op de kar en die mocht niet zo zwaar beladen zijn dat een bovenmatige inspanning werd vereist. Er was zelfs een snelheidslimiet; niet sneller dan een paard in draf.
VERENIGING Nederland zou Nederland niet zijn als er geen verenigingen werden opgericht die zich met de trekhond bemoeiden. De Bond tot Bescherming van den Trekhond bijvoorbeeld gaf advies welke honderassen geschikt waren. Voor stapvoets werk waren de volgende honden geschikt: Mastiff, Rothweiler, St-Bernard, New Foundlander, Chiens de Brie en de Russische Herdershond. Voor snelvervoer de Duitse Doggen, Duitse staande honden en Dobermann Pinchers. Maar in principe was volgens de bond elke hond geschikt voor het zware werk, mits ze van middelbare grootte, goed gebouwd, d.i. met rechten, sterken rug, breede borst, een flink stel pooten en harde voetzolen. Doel van de bond was den hond tegen misbruik beschermen, hem te beveiligen tegen eene verkeerde, ondoelmatige, ondeskundige, harde, ruwe en soms wreede behandeling, maar de trekhond moest volgens de bond wel blijven. Lijnrecht tegenover de bond stonden de Nederlandse Vereeniging tot Bescherming van Dieren, de Federatie van Vereenigingen Inzake het Hebruik van den Hond als Trekdier in Nederland, de Anti-Trekhondenbond en de Vereeniging tegen Trekhondenmisbruik, om nog maar te zwijgen van allerlei andere, plaatselijke clubjes die het voor de honden opnamen. De trekhond moest niet beschermd worden, maar volledig verboden.
Nederland was een van de weinige landen waar de hond nog als trekdier werd gebruikt. In Parijs verdween de hondekar in 1824 uit het straatbeeld, in Engeland in 1854 en in Amsterdam zelfs al in de 18de eeuw. In Rotterdam, Dordrecht en andere Nederlandse steden waren ze nog wel achterlijk. Rotterdam was zelfs de grootste trekhondenstad ter wereld, met meer dan 6000 honden. Vooral minister mr. J.B. Kan moest het in brieven en pamfletten van de 'afschaffers' ontgelden: 'omdat U de macht ontbreekt Uw voorschriften, die algemeen gesaboteerd worden, te doen handhaven. Nu hielden de voerlieden zich inderdaad niet aan de voorschriften. Ladingen van meer dan 500 kg waren geen uitzondering. En bij een keuring voldeed van de 200 honden slechts één hond aan de toch minimale eisen. De twee verenigingen bestookten elkaar met argumenten, vooral toen in 1919 de wettelijke eisen werden verzwaard. Moesten 100.000 bezitlozen, die geen paard en wagen konden kopen, de dupe worden van 4000 hondenliefhebbers? En bovendien voorzag de trekhondenbond dat veel honden, die niet aan de wettelijke eisen voldeden, losgelaten zouden worden en een treurig zwervend bestaan zouden gaan leiden. Met dat laatste waren de afschaffers het wél roerend eens. In mei 1920 schreef de vereniging ook aan de Dordtse burgemeester of hij wilde voorkomen dat de dieren die een te geringe hoogte hebben en dus niet meer gebruikt mogen worden, aan hun lot overgelaten zullen worden, om na veel ellende aan hun eind te komen. De eigenaars die afstand wensten te doen, konden hun hond gratis bij het hoofdbureau van politie inleveren. De vereniging was bereid de afgekeurde honden in te nemen, zoo noodig zal als dan ten spoedigste voor pijnlooze afmaking zorg gedragen worden. DORDRECHT Na de inwerkingtreding van de eerste wet in 1910, moesten ook de Dordtse trekhondeneigenaars zich melden. In vijf maanden tijds werden 295 vergunningen verstrekt en eind 1919 was dat al opgelopen tot 516. De eerste werd gegeven aan Joost van de Weg, die aan de Voorstraat woonde. Verder staan in het register, dat nog steeds in het Gemeentearchief aanwezig is, veel bakkerijen. De Cooperatieve Broodbakkerij De Vooruitgang uit de
Ook de pakhuisknecht Anthonius Johannes de Jong verzorgde zijn hond slecht. Hij werd evenals Willem van Dalen veroordeeld omdat hij geen drinkbak voor zijn hond bij zich had. VRUCHTEN Het werk van de dierenbescherming ging langzaam maar zeker vruchten af te werpen. Op 14 februari 1928 werd in Dordt de laatste vergunning afgegeven aan J.G.H. van der Stigchel. Maar de oude vergunningen bleven van kracht. In 1931 waren er 122 trekhonden in de stad, in 1937 nog slechts 52. In 1942 had de bakkerij De Vooruitgang, inmiddels verhuisd naar de Christiaan de Wetstraat, nog 33 honden 'in dienst'. Na 16 juni 1954 was het verboden om een hond als trekdier te gebruiken. In Dordrecht waren alle hondekarren toen al vervangen door elektrische wagentjes, die toepasselijk ijzeren honden genoemd werden.
|
'OVERIGE BESTEMMINGEN' stond in graniet gehakt boven de brievenbus van 't oude postkantoor, dat was van baksteen en bekroond met torens die eens een architect verzon omdat een metselaar dat kon. Nu hebben wij het PTT-gebouw van parelgrijs beton ontworpen door het Cemsto-hoofdkantoor, en boven de metalen brievengleuf is een rood plastic bandje vastgeplakt waarin een ambtenaar met lettertang dit tekstje heeft geperst: OVERIGE BESTEMMING Zo heeft een ieder toch zijn remming.
|
||||||